Endre Ady: Altijd te laat

Voor alles zijn wij steeds te laat
De reis naar hier duurt vast heel lang
vermoeid en triest is onze gang
Voor alles zijn wij steeds te laat

Zelfs rustig sterven lukt ons niet.
Wanneer de Dood ons straks bezoekt
ontbrandt ons hart in rode gloed.
Zelfs rustig sterven lukt ons niet.

Wij zijn voor alles steeds te laat.
Verlaat zijn onze dromen en successen,
ons veilig thuis, de rust en onze kussen.
Voor alles zijn wij steeds te laat.

Endre Ady: Altijd te laat
Ady Endre: Akik mindig elkésnek (Vér és arany 1907)

Vertaling: Rebekka Hermán Mostert

 

 

De akte van mijn moeder

Hij is er! (of: Ze is er…!)

De vertaling is verschenen, en draagt een andere titel dan ik had gedacht. Zo gaan deze dingen. Ik heb het nog niet in handen gehad, maar het schijnt er mooi uit te zien.

Het boek kreeg al een mooie recensie in Trouw, en ik mocht erover vertellen op de radio, in Met het Oog op Morgen. Iemand stuurde me bericht van een aankondiging in De Volkskrant, en zo zijn er nog wat dingen, meteen in de eerste week na publicatie. Mooi!

Hier is de recensie in Trouw, door Sofie Messeman:
https://www.trouw.nl/samenleving/andras-forgach-schreef-een-magistrale-roman-over-foute-ouders~

Dit was het radiogesprek op 8 november met Lucella Carasso over het boek van András Forgách in Het Oog op Morgen, tussen 0:37-0:47

De titel van het geluidsfragment is bepaald hijgerig en dekt de lading helemaal niet, maar dat is de keuze van de radioredactie.
https://www.nporadio1.nl/nos-met-het-oog-op-morgen/onderwerpen/479464-de-hongaarse-schrijver-andras-forgach-werd-verraden-door-zijn-moeder

 

Bruria bij het raam

“De volgende ochtend klopte luitenant Dóra al vroeg op de deur van mevrouw Pápai’s woning in het Veteranentehuis. Toen hij na een luid ‘Binnen!’ de deur opende, striemde het geluid van Johann Sebastian Bachs Dubbelconcert voor twee violen hem in het gezicht. De kamer was gevuld met vioolmuziek. Mevrouw Pápai zat naast de platenspeler aan het einde van de kamer voor het grote raam, alleen haar silhouet was zichtbaar. Ondertussen bewoog ze zacht haar hoofd op het ritme van de muziek, en vanuit de deur was te zien dat ze iets aan het naaien was. Met een bril op haar neus prikte ze met een naald in een donkerblauwe fluwelen lap.” (Citaat uit: De akte van mijn moeder. András Forgách. Cossee, 2018)

 

Pasen/Húsvét 2018

Introitus

Wie ontsluit het dichtgeslagen boek?
Wie klieft de ondoorbroken tijd?
Bladerend van dageraad tot dageraad
De vellen tillend en omslaand?

De hand te steken in een ongekende brand
Wie van ons waagt het? En wie waagt te speuren
in het dicht gebladerte van het gesloten boek,
wie durft? En hoe, met blote hand?

En wie van ons vreest niet? Wie zou niet vrezen,
wanneer zelfs God de ogen sluit,
en alle engelen vallen
en alle creatuur in duister wordt gehuld?

Het lam onder ons, hij vreest niet,
hij alleen, het lam dat werd gedood.
Hij trippelt over de glazen zee
en bestijgt de troon. En opent het boek.

 

János Pilinszky (1961): Introitus
Pilinszky János: Introitusz. Vigilia, 1961 dec.
Bron/Forrás: Pilinszky János összes versei, Osiris Kiadó 1992-2003, 64.

Vertaling: Rebekka Hermán M.

Nog drie dagen

En dan moet de eerste Nederlandse versie af zijn van András Forgách’ boek (roman?) Élő kötet nem marad. De Engelse versie verschijnt al in april (No live files remain, in de knappe vertaling van Paul Olchváry). Daarover is nu een promotievideo verschenen, kijk hier:

Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israel en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.

Mijn vertaling van dit Hongaarse boek verschijnt in de loop van 2018 bij uitgeverij Cossee.

Elo kotet nem marad_Forgach Andras

Péter Demény: Lofdicht

De dictator heeft alleen het beste met je voor,
hij kan er niets aan doen,
dat hij als enige weet
wat goed voor je is.
Om die reden moet hij
soms iemand doden,
soms meerdere iemanden –
de waarheid heeft immers
zoveel vijanden!
Iedereen kan toch begrijpen
dat je niet overal
rekening mee kunt houden
– met families, rechten,
het leven, en andersoortige
pietluttigheden, terwijl
de eer van het vaderland
op het spel staat.
En niemand hoeft mij te vertellen
dat de dictator niet
het allermeeste lijdt
onder de offers voor het rechte pad.
Maar heeft er ooit iemand
rechte paden zonder offers gezien?
Alleen de teerhartigen, die
te laf zijn om het leven
van anderen te offeren voor het
algemeen belang.
Dictators zijn niet weekhartig.
Dictators zijn grote kenners en verliezers
der waarheid.
Het ligt immers in de lijn der dingen
dat er met de tijd steeds minder zijn,
die de waarheid kennen, en weten
wat goed voor je is.

 

Péter Demény: Lofdicht

Demény Péter: Dicséret (2017)

Vertaling: Rebekka Hermán Mostert

János Pilinszky: Ik geloof

Ik geloof, dat ik je liefheb;
Met gesloten ogen ween ik omdat jij leeft.
Toch worden echter, zoals je ziet
door goden, stof, en tijd
zware hobbels opgeworpen tussen jou
en mij
zodat ik soms gegrepen word
door Liefde’s hoogtevrees
en benepen ongerustheid.

Dan kruip ik in bed vol angst,
zoals de natuur vreest rond middernacht,
geluidloos en zonder teken.

En daarna
geloof ik opnieuw, dat wij bij elkaar horen,
zodra ik mijn hand in jouw hand heb gelegd.

 

János Pilinszky: Ik geloof
Pilinszky János: Azt hiszem (Szálkák: 1971-1972)

Vertaling: RR Hermán Mostert

 

 

Sneak preview

Een stukje vooraf uit de vertaling van het boek van András Forgách: Élő kötet nem marad.
Omdat het vandaag 20 december is, en dus precies 34 jaar geleden dat de beschreven scene zich afspeelde.

“Zodra ze alleen was achtergebleven in de woning sloot mevrouw Pápai zorgvuldig de voordeur, en liet de sleutel in het slot zitten.
Als eerste keek ze rond in de kamer van haar zoon. Op de vloer naast het bed lagen een paar boeken, en daarnaast de gestencilde uitgave van de clandestiene Beszélő. Ze pakte het losbladige tijdschrift en stopte het achter de boeken in de boekenkast met glazen deurtjes. Daarna besefte ze dat dat niet genoeg was, de vellen waren te zien, ze trok ze uit de kast en bracht ze naar de voorraadkamer, waar ze met veel moeite een grote, gedeukte koffer van een hoge plank tilde. De koffer zat vol ouwe troep: een tooi voor een bedoeïnenzadel, kettingen, koperen kannetjes, een hoop losse foto’s, oude kranten met artikelen van Pápai erin, kralen, borduurgaren, een grote, houtgesneden kameel die dertig jaar geleden door Pápai uit Caïro was meegebracht, een gebarsten aardewerken trommel – snel legde mevrouw Pápai de Beszélő er tussen, ze klikte de twee sloten dicht en duwde de koffer met allerlei kunstgrepen en met een diepe zucht weer op zijn plaats. Naar adem happend en verbitterd stond ze temidden van het opgewarrelde stof. Ze ging terug naar de kamer van haar zoon en hield plotseling stil voor de boekenkast waar een briefje op hing. In haar eigen handschrift stond er een Arabisch gezegde op: de tijd is een zwaard, als jij haar niet snijdt, snijdt ze jou. Ze bleef voor het bureau staan en staarde naar de Consul typemachine, er zat nog een half volgeschreven blad in met de datum van die dag erop, 20 december 1983. Ze haalde het eruit en legde het met de tekst naar beneden op het bureaublad. Ze wist dat haar zoon razend zou zijn als hij erachter kwam, maar dat kon haar niet schelen. Plotseling ontdekte ze een met onbekend handschrift geadresseerde envelop. Ze twijfelde een ogenblik maar kon de verleiding niet weerstaan en stak haar hand erin. Ze haalde er een Franstalige brief uit, er viel ook een foto op de grond. Ze raapte hem op, vanaf de foto werd ze aangekeken door een jonge halfbloed met kroeshaar. Er ging een rilling door haar heen, snel stak ze de brief terug in de envelop. Ze pakte ook nog enkele boeken van de plank, die ze met de ruggen naar achteren tussen de andere boeken terugzette. Ook in de kamer van de gasten hield ze inspectie.
Toen ze hiermee klaar was, ging ze in de woonkamer op de groene divan zitten en zette ze de telefoon klaar op het salontafeltje. Ze zette haar bril op haar neus en begon steeds driftiger in haar notitieboekje te bladeren. Dat boekje zag er vrij bijzonder uit. De omslag was er al lang afgescheurd, de bladzijden hingen er half uit, en hoewel ze eerst nog haar best deed de namen er in alfabetische volgorde in te schrijven, was ze daar later mee opgehouden. Ze had recepten en visitekaartjes tussen de bladzijden gestoken, boven en onder de telefoonnummers stonden uitroeptekens en opmerkingen, namen van medicijnen, postadressen die helemaal niet bij de telefoonnummers hoorden, Hebreeuwse woorden en engelse zinsfragmenten, en zelfs dichtregels in dynamische letters en vol schrijffouten, dwars over de bladzijde heen – ‘Schaamte gloeit op heel mijn lichaam / Duizend naalden prikken mijn brein’–, en als de pagina’s in het kleine opschrijfboekje met de zachte kaft eruit vielen stak mevrouw Pápai ze bijna nooit terug op hun plaats, zodat ze zichzelf nu hoofdschuddend verwijten maakte omdat het haast onmogelijk was om iets terug te vinden in deze brij. ‘Ugghhhh!’
Er klonk een ongeduldige zucht toen ze eindelijk de naam en het nummer gevonden had. Ze haalde diep adem en begon het nummer te draaien.”

Getekend in meel (recensie van Vuurstapel)

https://www.groene.nl/artikel/getekend-in-meel

door Maria Vlaar, De Groene Amsterdammer, 16 maart 2016

 

Pijn helpt je om je dingen te herinneren, ontdekt de dertienjarige Emma als ze bij haar oma in huis woont en beiden voor de opdracht staan om verder te gaan met hun leven, terwijl al hun geliefden dood zijn.

Emma bekrast en prikt zichzelf om zo de herinneringen aan haar liefhebbende ouders uit haar kindertijd boven te laten komen. Toch beschrijft de Hongaarse auteur György Dragomán (1973) geen meelijwekkend vogeltje, maar een levenskrachtige, geestige, ondernemende jonge vrouw. Dragomán groeide op in Transsylvanië en verliet Roemenië als vijftienjarige, kort voordat de revolutie een einde maakte aan het bewind van dictator Ceausescu. In Hongarije groeide hij uit tot een van de belangrijkste schrijvers van zijn generatie. Vuurstapel speelt zich af rond 1990 in Roemenië. De communistische dictator is gedood en Emma’s oma komt haar ophalen uit het kindertehuis waar ze woont. Emma gaat mee met deze voor haar volkomen vreemde vrouw en leert stukje bij beetje haar familiegeschiedenis kennen. Parallel met Emma’s rouwproces om haar gestorven ouders kan oma door de aanwezigheid van haar kleindochter eindelijk rouwen over de dood van haar beste vriendin, een joodse die zij in de Tweede Wereldoorlog voor de razzia’s verborg in de houtschuur achter het huis. Het leven van oma verloopt via drie traumatische gebeurtenissen. De eerste vindt plaats in de oorlog. De nazi’s ontdekken de onderduik en vermoorden ter plekke als vergelding oma’s ouders. Die dood doet de lezer denken aan een iconische moord in Roemenië: de standrechtelijke executie van Ceausescu en zijn vrouw Elena in 1989. Een dood die uiteindelijk voor het volk veel minder veranderde dan gehoopt: ‘Ze schieten een generaal een kogel door zijn kop, en prompt denken alle honden dat zij de baas zijn.’ Voor Emma en oma is de ondergang van het communisme nu eenmaal niet per se een verbetering van hun leven. Oma’s tweede trauma vindt plaats op bijltjesdag, de periode van afrekening na onderdrukking. Als de IJzeren Muur valt moeten opa en oma eraan geloven, omdat zij verklikkers zouden zijn geweest voor de geheime dienst. Heeft opa ook zijn dochter en schoonzoon, Emma’s ouders, verraden? Het hele gezin, generatie op generatie, is getekend door de geschiedenis. Na de 1989-revolutie grijpen de communisten in Roemenië opnieuw de macht. De Securitate maakt zijn eigen rekening op en vermoordt honderden mensen, waarvan velen ‘verdwenen’ zijn. Er breekt een tweede opstand uit van mijn- en staalwerkers, waaromheen zich tegen het einde van het boek, als het verhaal langdradig dreigt te worden, zelfs nog een intrigerende plot ontwikkelt. Opnieuw wordt oma als verklikker door ‘het volk’ veroordeeld, een autoband met diesel om haar nek gelegd. Dat is de derde keer dat oma ‘alles vergeten is’, waarvoor ze al eerder jarenlang in een psychiatrische kliniek doorbracht. Op surrealistische wijze lopen heden en verleden in Vuurstapel door elkaar en soms verschijnen de doden zodat oma met ze kan praten. Het verleden spreekt vanuit een schelp die ze tegen haar oor houdt, en de toekomst voorspelt ze door te tekenen in het meel dat ze uitspreidt over de keukentafel. Oma heeft iets van een heks en dat is niet voor niets: Dragomán laat op onnadrukkelijke wijze zien dat er in Europa nog steeds zoiets bestaat als publieke heksenverbrandingen. Vuurstapel laat met kracht zien hoe hol woorden als verraad, schuld en vergelding eigenlijk zijn als het gaat om mensenlevens. Iedere vergelding wordt weer beantwoord door een andere, maar rechtvaardiging komt niet in zicht. ‘Mijn dood is niet bedoeld om in mijn naam anderen te doden, ik weet niet waarom ik dood moest, maar ik weet wel dat het niet hierom was!’ laat Dragomán een meisje roepen dat tijdens de volksopstand op het Universiteitsplein van Boekarest het leven liet. Dragomán vertelt het verhaal via de dingen. Oma’s huis is bevolkt door opa’s bezittingen, zijn sigaretten, zijn stoel, zijn aansteker. En ook voor Emma, die met nagenoeg niets het kindertehuis verlaat, brengen al die voorwerpen herinneringen met zich mee. Als Emma op school een stervormig ‘maartspeldje’ krijgt om het voorjaar te vieren, denkt oma aan de jodenster die haar vriendin moest dragen. De walnoten uit de tuin die bewaard worden in een grote kist, hoe hun schil voelt, de bitterheid van hun smaak: de prachtig beschreven details in Vuurstapel ademen heimwee naar de tijd waarin het lot nog te keren leek. ‘Het haar wordt rood, het laken wordt wit, de geglazuurde kruik wordt groen, de notenhouten ladekast wordt bruin. Alles wordt weer zoals het voor die tijd was.’ Intussen weet Emma zich ondanks alles te verheugen op haar toekomst en verliefd te worden. Dat lijkt de boodschap van Dragománs indrukwekkende familie-epos: dat een getraumatiseerd volk wel degelijk de rouw kan verwerken en aan een menswaardiger toekomst kan beginnen. Een vuurstapel is immers ook louterend.